Navigation Menu+

Mijn mest is ‘the best’

Ik las laatst even enkele nieuwsbrieven door van ‘De zonnekouter’. Een biodynamische boerderij waar ik als klein kind getuige was van de opstart (met een groot ‘schijt je rijk’ spel werd toen geld ingezameld voor de opstart, ik was toen wellicht 10 jaar oud) , en er kort voor mijn eigen start op onze eigen boerderij ook enkele weken stage liep. Ik las in hun nieuwsbrief over mest, en de visie van Rudolf Steiner hierop, en merkte ook dat dit mijn denkwijze is. Alleen kan ik het zelf niet zo mooi verwoorden, dus bedankt Rudolf, An en de zonnekouter om dit te delen, zodat ik ook hier iets neer kan zetten over die bruine, stinkende mest. The best.

Steiner: ‘Het eigenaardige is – en het zou me plezier doen als hiermee eens de proef op de som werd genomen – dat als je op een bepaald landbouwbedrijf de juiste hoeveelheid koeien, paarden en andere dieren hebt, deze dieren allemaal samen precies zoveel mest geven als voor het bedrijf nodig is om aan dat wat chaos is geworden iets van een tegenwicht te bieden. Bovendien heeft die mest dan ook de juiste mengverhouding. Dat komt doordat de dieren de juiste hoeveelheid van wat ze daar aan planten vinden, van wat de aarde aan planten te bieden heeft, eten. Daardoor produceren ze ook in hun organische proces zoveel mest als nodig is om aan de aarde te worden teruggegeven. Eigenlijk geldt hier – helemaal te verwerkelijken is het niet, maar als ideaal is het juist – dat zodra een bedrijf het nodig heeft de een of andere mestsoort van buiten te betrekken, deze alleen moet worden gehanteerd als geneesmiddel voor een ziek geworden bedrijf. Gezond is een bedrijf alleen in zoverre als het zichzelf door zijn eigen veestapel van mest kan voorzien. Dat vereist natuurlijk dat er een echte wetenschap komt die een antwoord kan geven op de vraag hoeveel dieren van een bepaalde soort er op een bepaald landbouwbedrijf nodig zijn.’

‘We moeten als boer ook leren een persoonlijke verhouding te krijgen tot alles wat bij landbouw komt kijken, in de eerste plaats een persoonlijke verhouding tot mest en vooral ook tot het werken met mest.
We moeten weten dat bemesten een levend maken van de aarde moet betekenen, zodat de plant niet in dode aarde komt te staan en moeite heeft om vanuit haar eigen leven alles op te brengen wat nodig is om vrucht te dragen. Ze brengt gemakkelijker op wat voor de vruchtvorming nodig is wanneer ze al direct in het leven wordt ingebed.’

We zijn nu 100 jaar later, onze landbouw is zieker dan ooit. Mest is een afvalproduct geworden, de bodem een substraat, bemesting een grote rekensom; het enige wat nog telt is in en uit, min en plus. Het levende organisme dat de bodem in essentie is, is uit het plaatje verdwenen. Het vee is grotendeels weg van het land.
Het is dan ook een hele uitdaging, moeilijk maar heel boeiend, om op zoek te gaan naar de juiste inzichten, dag in dag uit bij te leren, ons uiteen te zetten met onze bodem, onze gewassen, onze koeien en hun mest, om te blijven leren, alles beter op elkaar af te stemmen en te werken aan de gezondmaking van ons landbouwsysteem.